Skip to content

12 september 2012

1

C van Coimbra

Door Walter Slosse (1947-2016)

Ten onrechte bleef de fado uit de Portugese universiteitsstad Coimbra steeds op de achtergrond van de wereldvermaarde Portugese fado die zijn wortels heeft in de hoofdstad Lissabon. In tegenstelling tot de fado uit Lissabon (zie F van Fado), wordt de fado in Coimbra uitsluitend door mannen gezongen. Een bezoek aan het Fado ao Centro in Coimbra laat daar geen twijfel over bestaan, want het podium waar elke dag live concerten plaatsvinden, blijft verboden voor vrouwen.
Volgens sommige bronnen is de fado in Coimbra ontstaan uit liederen van Braziliaanse studenten die vanaf 1860 in de stad kwamen studeren, maar andere bronnen spreken die versie weer tegen. Misschien waren het wel studenten uit Lissabon die in Coimbra een eigen fado hebben ontwikkeld of wie weet is de oorsprong te vinden in de liefdesliederen van de troubadours uit de Middeleeuwen. In een uitzending van het VPRO-programma De Wandelende Tak op 24 maart 1988 werd de fado van Coimbra toegelicht door wijlen Jacques Dupont, medewerker van de RTBF en Radio France, die zijn passie voor de Portugese melancholie niet kon ontkennen.

Luister hier naar De Wandelende Tak van 19 april 2008, met een herhaling van 24 maart 1988 over de fado van Coimbra.

Drie dingen tellen in Coimbra. De gitaar, mooie vrouwen, en een student om voor hen te zingen. Zo kernachtig kan de fado van Coimbra worden samengevat, waarvan de belangrijkste vertegenwoordiger Fernando Machado Soares is. De fado is nauw verbonden met het studentenleven in deze universiteitsstad. Het zijn geen professionele zangers, maar oud-studenten, zoals Soares die kantonrechter werd. In contrast met de fado van Lissabon waarin vooral vrouwen een grote rol spelen, en die in de volkswijken ontstond, is in Coimbra de fado door intellectuelen ontwikkeld, en sterk beïnvloed door de belcanto.

Van Fernando Machado Soares verscheen in 1994 een album bij Auvidis Ethnic (B 6791) met een mooi overzicht van zijn fado’s uit Coimbra, met o.a. zijn Fado Mentira.

Fiz uma cova na areia
Para enterrar minha màgua
Entrou por ela o mar todo
Nao encheu a cova d’agua

Ik heb een put gegraven in het zand
Om mijn verdriet te bedelven
De zee heeft alles overspoeld
Zonder mij te kunnen troosten

A vida é gosto e desgosto
mentira, tudo mentira

Het leven is slechts vreugde en lijden
Leugen, alles is leugen

De universiteit van Coimbra (Foto Walter Slosse)

Tot op vandaag blijft het beeld van de fado in Coimbra beheerst door de zwarte cape van de studenten. Tot de jaren zestig bepaalden zij door hun tradities ook het beeld van de stad. Ze waren gekleed in een zwarte soutane, batina, met cape, capa preta. Studieboeken werden met een lint samengebonden en gedragen onder de armen. Elke studierichting had zijn eigen kleur. De studenten hadden ook een eigen code, de praxe, die tot op vandaag nog bestaat. Het is een traditie die doet denken aan de hiërarchie in het leger. In Studentenleven in Portugal vertelt Godelief Swank over de macht van de oudere studenten. “Hoe langer je op de universiteit ingeschreven staat, hoe meer macht je hebt. Een eerstejaars mag de aktentas van een ouderejaars niet zomaar aanraken bijvoorbeeld. En sommige regels zijn nog strenger. Zo mag je als eerstejaars officieel niet ’s nachts na 12 uur de straat op. Als je dat toch doet en een ouderejaars betrapt je, mag deze je slaan, of je haren knippen.”

Een andere traditie waarmee Coimbra graag uitpakt, is het liefdesverhaal van Pedro en Ines. De liefde en de gevolgen van de relatie tussen Romeo en Juliette verbleken bij de passie, het bloed en de historische gevolgen die de kortstondige liefde van de stotterende Portugese kroonprins Dom Pedro en de mooie Spaanse hofdame Ines de Castro teweegbracht in het middeleeuwse Portugal. De liefde en het drama van Pedro en Ines zijn voor componisten, schrijvers en dramaturgen een geliefd onderwerp geweest voor opera’s, komedies, operettes, zarzuela’s, balletten en teksten. Op 14 maart 2002 zorgde wijlen Edward de Groot voor een aflevering van de VPRO-documentaire Urubicha over dit gekweld liefdespaar.

Luister hier naar Urubicha van 14 maart 2002 over Pedro en Ines, samengesteld door Edward de Groot en gepresenteerd door Marianne Lange.

Een legendarische plek in Coimbra is de Fonte dos Amores, in de tuin achter het hotel Quinta das Lágrimas aan de oever van de Mondego. Vlakbij de Fonte dos Amores, waar Pedro en Ines elkaar voor het eerst hadden gekust, werd zij om het leven gebracht. Nu was de schone jonkvrouw Ines in feite de bastaarddochter van Pedro Fernandez de Castro en, evenals Prins Pedro, een kleinkind van de koning van Castilië. Dat maakte Pedro en Ines neef en nicht van elkaar. In adellijke kringen was dat geen probleem want Pedro’s vrouw Dona Constance was ook een nicht van hem. De liefde tussen Pedro en Ines was dan ook niet zo zeer geheim vanwege het buitenechtelijke of incestueuze karakter ervan, want het waren de politieke consequenties die Pedro en Ines tot een heimelijke liefdesrelatie dwongen.

Omdat de Portugese koning Afonso bezorgd was dat de koning van Castilië via Ines rechten zou gaan claimen op de Portugese troon, liet hij haar in januari 1355 in haar paleis Quinta das Lagrimas door drie van zijn hovelingen vermoorden. Prins Pedro, door verdriet verteerd bij de dood van zijn geliefde Ines, nam de wapens tegen zijn vader op. Twee jaar later besteeg hij de troon en liet de naar Spanje gevlucht moordenaars van zijn Ines uitleveren tegen een paar in Portugal opgepakte Spaanse roofridders. Bloeddorstige, meedogenloze woede bracht koning Pedro ertoe hen eigenhandig te folteren, om hen te doen bekennen wie de moordenaar was geweest van zijn Ines.

Drie jaar later verklaarde koning Pedro dat hij een jaar voor de moord op Ines, in het geheim met haar getrouwd was. Toen Pedro een jaar op de troon zat, bewees hij in 1361 Ines de laatste eer die zijn koningin toekwam. Pedro liet een tombe maken van wit marmer, fraai bewerkt, met op het deksel haar beeltenis met een koninklijke kroon op het hoofd. Toen de tombe klaar was werd die geplaatst in de Kloosterkerk van Alcobaça. Pedro liet daarop Ines in het klooster van Santa Clara opgraven en overbrengen naar Alcobaça.

Het zes jaar oude lijk van Ines werd op een bijzonder mooie baar gelegd die door ridders werd gedragen en in een uitzonderlijk fraaie koets geplaatst. Langs de zeventien mijl lange weg tot de kloosterkerk stonden mannen met kaarsen in de hand, die zo waren opgesteld dat haar lichaam de gehele weg zich steeds tussen brandende kaarsen bevond. Aangekomen bij de kloosterkerk werd het lichaam met vele missen en grote plechtigheid in de tombe gelegd.

De tomben van Pedro en Ines staan nog altijd in de Kloosterkerk van Alcobaça. Ze staan niet naast elkaar, maar met de voeten naar elkaar gericht, elk in een uiteinde van het dwarsschip van de kerk. Zo wordt de bezoeker van de Alcobaça verteld dat dit de wens van koning Pedro was, opdat wanneer op de Dag des Oordeels de doden zouden herrijzen, hij en zijn geliefde elkaar onmiddellijk in de ogen zouden kunnen kijken.

1 reactie Post a comment
  1. Mooi Mooi Mooi !!!! Ervan genoten.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Note: HTML is allowed. Your email address will never be published.

Subscribe to comments

%d bloggers op de volgende wijze: